We spreken af in ons eigen D-NA Lab in Mechelen. Het is net na onze vakantie, lekker weer. In onze gezellige zeteltjes proberen we beiden wat te ontspannen. Het is voor allebei de eerste keer: ik als interviewer, Annelise als geïnterviewde.
Voor we beginnen vertelt ze enthousiast over een boom die dringend gesnoeid moest worden, over braambessen die geplukt moesten worden en over bloembollen die binnenkort in de grond moeten. Het lijkt een onschuldige anekdote, maar later in het gesprek besef ik dat het misschien wel de perfecte samenvatting van Annelise is: kijken wat nodig is, in actie schieten en onderweg ontdekken wat werkt.
We zetten de recorder aan.
Annelise, wat drijft jou in je werk? Waarom doe je wat je doet?
Ik denk dat het voor mij uiteindelijk altijd gaat over hoe mensen kwaliteitsvoller kunnen werken. Voor zichzelf, voor hun team en voor de organisatie waar ze deel van uitmaken.
Dat klinkt misschien groot, maar dat is eigenlijk de rode draad in alles wat ik doe. Of ik nu werk met een leidinggevende, een team of een volledige organisatie. Tegelijk geldt dat ook voor mezelf en voor D-NA. Als ik klanten uitnodig om stil te staan bij hun werking, moet ik dat zelf ook doen. Anders klopt het niet.
Dus jouw drijfveer begint niet bij jezelf, maar bij de ander?
Ja, al hangen die twee natuurlijk samen. Ik geloof dat mensen vaak al veel meer in huis hebben dan ze zelf zien. Soms hebben ze gewoon iemand nodig die helpt kijken, benoemen en onderzoeken. Iemand die hen uitnodigt om bewust te worden van wat er speelt.
Dat woord ‘onderzoeken’ zal nog vaak terugkeren tijdens ons gesprek. En minstens even vaak: ‘observeren’.
Wat is typisch Annelise? Wat maakt dat een coaching, begeleiding of training een echte Annelise-stempel draagt?
Ik denk dat ik in de eerste plaats veel kijk en luister. Wat gebeurt er hier eigenlijk? Wat wordt gezegd? Wat wordt niet gezegd? Wat zie ik mensen doen?
Daarna probeer ik dat terug te geven. Spiegelend. “Ik zie dit gebeuren. Klopt dat?” Vaak ontstaat net daar iets interessants. Omdat mensen even stilvallen en beseffen: “Ja, eigenlijk doe ik dat inderdaad.”
Daarnaast probeer ik mensen uit te nodigen om dingen uit te testen. Niet meteen te zoeken naar de perfecte oplossing.
Dat klinkt bijna alsof je mensen toestemming geeft om fouten te maken.
Misschien wel. Ik gebruik vaak het beeld van een prototype. Een prototype hoeft niet perfect te zijn. Je bouwt iets, je test het en kijkt wat werkt.
Valt er een wiel af? Dan zetten we het er terug op. Of we proberen een ander wiel.
Ik merk dat mensen dan veel sneller bereid zijn om iets nieuws te proberen. Als het niet onmiddellijk perfect moet zijn, wordt verandering plots veel minder bedreigend.
We staan even stil bij die gedachte. Misschien is dat wel de essentie van Annelise. Niet forceren. Niet overtuigen. Maar ruimte creëren waarin mensen durven bewegen.
Als je één waarde van D-NA zou moeten kiezen, welke zou dat zijn?
Verbondenheid.
Ze antwoordt snel. Alsof ze daar niet lang over hoeft na te denken.
Verbondenheid is voor mij één van de belangrijkste redenen waarom ik hier werk.
En dan bedoel ik niet alleen verbondenheid met een organisatie of een missie. Ook de verbondenheid tussen mensen. Hoe wij samenwerken. Hoe we omgaan met elkaar. Hoe we meer delen dan enkel agenda’s, opdrachten en cijfers.
Dat klinkt alsof de relatie voor jou minstens even belangrijk is als het resultaat.
Ja, dat denk ik wel.
Ik zoek dat trouwens niet alleen binnen D-NA. Ook bij klanten. Natuurlijk werken we professioneel samen. Maar ik wil begrijpen hoe het écht gaat. Wat mensen bezighoudt. Wat werkt en wat niet werkt.
Ik merk dat ik daar moeilijk los van kan komen. Als ik geen connectie voel, begin ik zelf te zoeken. Dan wil ik begrijpen wat er ontbreekt.
En plots vallen de puzzelstukken samen.
Het observeren. Het spiegelen. Het zoeken naar wat werkt. Het experimenteren. Alles lijkt voort te komen uit dezelfde behoefte: verbinding maken met mensen en van daaruit samen vooruitgaan.
Meerzijdig leiderschap speelt een belangrijke rol binnen D-NA. Hoe gebruik jij dat zelf?
Wat ik daar zo sterk aan vind, is dat het je helpt om naar jezelf te kijken. Het beeld van spanningsvelden waar we ons op moeten en kunnen bewegen is een sterk kader om over jezelf na te denken.
Ik merk bijvoorbeeld dat ik van nature eerder aan de kant van de korte termijn sta. Ik hou ervan om dingen vast te pakken en in gang te zetten.
Strategisch nadenken op lange termijn? Dat vind ik moeilijker.
Door het model word ik mij daar bewuster van. Het helpt mij zien waar ik spontaan sta en waar ik misschien wat meer naartoe te bewegen heb.
Dus het model geeft niet noodzakelijk antwoorden?
Nee. Maar het helpt wel om de juiste vragen te stellen.
En soms heb je dan iemand anders nodig die je een stukje verder trekt. Iemand die zegt: “Kom eens mee naar die andere kant kijken.”
Dat vind ik trouwens één van de mooiste dingen binnen D-NA. We doen dat voortdurend voor elkaar.
Wat hoop je dat mensen onthouden van hun samenwerking met jou?
Ze denkt lang na voordat ze antwoordt.
Eigenlijk hoop ik niet dat ze mij onthouden.
Ze lacht wanneer ze merkt hoe vreemd dat klinkt.
Wat ik bedoel is: ik hoop dat ze achteraf kunnen zeggen dat ze iets anders zijn beginnen doen.
Dat ze als team iets nieuws hebben uitgeprobeerd. Dat ze anders zijn gaan samenwerken. Dat ze een stap gezet hebben die zonder die samenwerking misschien moeilijker was geweest.
Natuurlijk vind ik het fijn als mensen zich mij herinneren. Maar nog liever hoor ik dat zij iets hebben meegenomen dat blijft werken.
Wanneer we afronden, denk ik terug aan het beeld van het prototype. Bij veel consultants draait het uiteindelijk om expertise. Bij veel coaches om inzichten. Bij Annelise lijkt het eerder te gaan over vertrouwen.
Vertrouwen dat mensen zelf oplossingen kunnen vinden. Vertrouwen dat een team kan leren door te proberen. Vertrouwen dat een wiel dat afvalt geen probleem is, zolang je bereid blijft om te kijken, te leren en opnieuw te bouwen.
Misschien is dat wel haar echte handtekening.
Niet de perfecte oplossing aanreiken.
Maar mensen uitnodigen om samen een prototype te bouwen.
Interview: Bart Delahaye